Het Huis van de Regering. Een familiesaga uit het Sovjettijdperk.

[widget id=”text-16″]

Yuri Sledkine studeerde geschiedenis aan de universiteit van Moskou. In 1983 werd hij hoogleraar Russische geschiedenis en directeur van het instituut voor Slavische studies aan de universiteit van Berkeley. Eerder schreef hij al “The Jewish Century”.

Zijn nieuwe boek over “Het Huis van de Regering” bestaat uit twee veel te omvangrijke boeken van 639 en 636 pagina’s. Het Huis was het gebouw waar de Sovjet-elite met hun gezin en andere familieleden bij elkaar woonden vanaf 1931. Het werd gebouwd tijdens Stalins eerste Vijfjarenplan(1928-1932) op een laag terrein genaamd “Het Moeras”, aan de overkant van de rivier de Moskva, tegenover het Kremlin. Het was het grootste wooncomplex van Europa, met 550 volledig ingerichte gezinsappartementen, een restaurant, winkel, kinderopvang, kliniek, wasserij, kapsalon, postkantoor, bank, rijke bibliotheek(want de elite en hun kinderen lazen heel veel), sportschool, tennisbaan, biljartzalen, schietbaan etc. Vlak daarbij werd dan ook nog een theater gebouwd voor 1300 toeschouwers en een bioscoop met 1500 zitplaatsen. De overheid zorgde dus goed voor de “nomenclatura”: ministers (volkscommissarissen genoemd), commandanten van het Rode Leger, geleerden, Goelagfunctionarissen, managers van fabrieken, buitenlandse communisten, socialistisch-realistische schrijvers en kunstenaars, Stachanov-arbeiders, de complete familie van Stalin.


Het Huis was begroot op 3 miljoen roebel, maar kostte uiteindelijk het tienvoudige. In 1935 woonden ze er met 2655, onder wie 700 staats- en partijtoppers en 588 kinderen, die er een gouden jeugd beleefden, behalve tijdens de terreur. Ze werden beschermd door metalen poorten en bewakers. Ze werden er verwend door ca. 700 kelners, loodgieters, tuinmannen, schilders, vrouwen die de was deden in de Moskvarivier etc.
Maar in de jaren 1935-1949 werden 800 bewoners gearresteerd, van wie er 344 doodgeschoten werden na afgedwongen bekentenissen. De anderen vlogen in de gevangenis of naar werkkampen in de Goelag. Het gebouw staat er nog, met nieuwe bewoners.
De auteur vertelt niet wie nu de gelukkigen zijn. Blijkbaar zijn het afstammelingen van de oorspronkelijke bewoners, leden van de huidige elite en buitenlanders.

Het boek volgt het publieke en private leven van de bewoners, fanatieke revolutionairen, die droomden van een marxistisch utopia en vastberaden waren om voor dit doel bloed te laten vloeien.
Het is gebaseerd op hun dagboeken, brieven, memoires, familiekronieken en interviews en is voorzien van vele zeldzame foto’s uit hun familiearchieven.

De meeste bewoners-schrijvers zijn niet bekend bij het grote publiek: Arosev, Osinski, Voronski, Zbarski, Granovski. Ze krijgen hier wel een gezicht. Ze vertellen over hun inzet voor de zaak, hun lectuur, liefdesrelaties, gevangenissen en werkkampen waar ze naartoe gestuurd werden.

Het boek bevat drie verhaaldraden. De eerste is de familiesaga van de bewoners. De tweede is een analyse van de “bolsjewistische millenaristische sekte”, die geloofde in een 1000-jarig rijk. De derde is literair en gaat over wat er allemaal gelezen, gestudeerd en besproken werd. Het boek bevat drie “boeken”: Boek I gaat over de bolsjewieken van het eerste uur, die zich overal moesten verschuilen, gevangen en verbannen werden, tot ze de burgeroorlog wonnen en zelf aan de macht kwamen. Boek II gaat over de opbouw van het Huis en van de Sovjet-Unie en het leven in het Huis. Boek III vertelt over de verschrikkelijke zuiveringen, de zoektocht naar “verraders”, het huiselijk leven van de beulen, het einde van het bolsjewisme. Schrijver en bewoner Joeri Trifonov schreef de roman “Het Huis aan de Kade”, die het huis vereeuwigde. Het Huis kreeg ook een museum, dat nog altijd actief is, met de verzameling van alle geschriften, foto’s etc.

Het echte verhaal begint met de geschiedenis van het Moeras vanaf 1495, de kerken en fabrieken die er gebouwd werden, de buitenlanders die er woonden, de stakingen van 1905, de predikers die een gewelddadige revolutie en sociale rechtvaardigheid beloofden. Onder die predikers waren vele joden, zoals Karl Radek, Ilja Ehrenburg, Jakov Sverdlov (of Jakov Michailovitsj) en vele anderen. Joden vormden de intellectuele voorhoede van de revolutie, zoals Duitsers de beste raadgevers van de tsaren waren.

De predikers lazen en debatteerden veel en velen belandden in de gevangenis, die door de bolsjewisten hun “universiteit” werd genoemd, want daar en in Siberië lazen ze veel Marxistische literatuur en leerden ze veel. Lenin b.v. las in drie jaar Siberië 750 kilo boeken. Er waren twee soorten ballingschap: de vlucht naar het Westen en de echte verbanning naar Siberië, waar de revolutionairen een veel beter leven hadden dan hun slachtoffers na 1917. Stalin was er minstens zes keer , maar werkte er nooit. Sverdlov en Stalin leerden elkaar kennen aan de noordpoolcirkel, maar werden geen vrienden.

Hfst. 3 gaat over het geloof van Sverdlov, Osinski, Majakovski e.a. revolutionairen. Hier krijgen we een veel te lange uiteenzetting over het geloof van de Israëlieten, christenen, islamieten, protestanten, orthodoxen, Marx etc., zonder één woord over de betere wereld die de Russische revolutionairen voor ogen hadden.

Hfst. 4 gaat over “de jongste dag”, een beeldspraak voor de machtsgreep van de apocalyptische millenaristen. Het beschrijft de Februarirevolutie, het einde van het tsarenrijk, de Voorlopige Regering, de terugkeer van de bolsjewieken uit hun ballingschap: Sverdlov ging naar Jekaterinenburg, zijn lastige huisgenoot Stalin en Molotov naar Petrograd, Boecharin uit New York naar Moskou, Trotski uit New York naar Petrograd, Lenin uit Zürich naar Petrograd. Daar verklaarde Lenin dat de profetie in vervulling was gegaan en dat tijd was gekomen om de macht over te nemen, zonder medewerking van de mensjewieken en anderen. Hij werd onthaald op een fluitconcert , maar bleef daar kalm bij. Hij begon zijn agitatie bij de arbeiders en soldaten. Ook Trotski, Boecharin, Sverdlov en andere Joden deden daar ijverig aan mee. Hun hoofdkwartier was het Smolnipaleis in Petrograd.

De Oktoberrevolutie verliep vlot in Petrograd. De Voorlopige Regering werd gearresteerd in het Winterpaleis en opgesloten in de Petrus- en Paulusvesting. In Moskou was er meer weerstand: daar werd een week lang gevochten. Toen de Duitse troepen in maart 1918 Petrograd naderden, vertrouwde Lenin het Verdrag van Brest-Litovsk niet meer en verhuisde hij de communistische regering naar het Kremlin, waar meteen alle iconen neergehaald werden. De nationalisatie van de fabrieken verliep moeizaam : overal daalde de productie, de arbeiders daagden enkel nog op voor de prikklok ’s morgens en ’s avonds en waren over dag dronken en stalen grondstoffen en producten, zodat vele fabrieken moesten sluiten.
Tegen de boeren werd met geweld opgetreden, omdat ze niet meewerkten met het communisme. Boecharin somde zelfs 9 groepen op die met “geconcentreerd geweld” aangepakt moesten worden, o.a. alle intellectuelen, alle geestelijken, alle artsen, alle gegoede boeren (193).
“Geconcentreerd geweld” omvatte klopjachten, moorden, dwangarbeid, afname van bezit, opsluiting in concentratiekampen.

De bekendste grote moordpartij was die op de hele tsarenfamilie in juli 1918. Ze gebeurde in opdracht van Sverdlov, na overleg met Lenin. De commandant van het vuurpeloton was Jakov Joerovski. Hij ging er prat op dat hij zelf de meeste mensen afgemaakt had: de tsaar, dokter Botkin, kroonprins Aleksej, de dochters Tatjana, Anastasia en Olga, kamermeisje Anna Demidova. Ook de honden werden afgemaakt. De waardevolle bezittingen zoals goud, zilver en bont, werden naar het Kremlin gebracht. Andere familieleden van de Romanovs waren vanaf 12 juni 1918 al het slachtoffer van moordpartijen. Uiteindelijk werden alle Romanovs afgemaakt die nog in Rusland verbleven.
De hele moord op de tsarenfamilie wordt zeer uitvoerig beschreven door Elisabeth Heresch, Verraad, lafheid en bedrog, p. 353-370, met o.a. de lijst van de moordenaars, onder wie Imre Nagy en hun vergoedingen. Sverdlov werd ook beloond: de stad Jekaterinenburg kreeg de naam Sverdlovsk, tot 1991: toen herstelde Yeltsin de historische naam.

Hfst. 5 heet “De laatste veldslag”. Na een mislukte aanslag op Lenin (30 aug. 1918) besloten Sverdlov en het Centraal Comité over te gaan tot genadeloze massaterreur tegen leden van de bourgeoisie: er vonden massale executies plaats van willekeurige gevangenen, vooral intellectuelen en kozakken, christelijke boerenstrijders o.a. aan de Don (in het zuiden, bij Rostov). Zij vochten tijdens de tsaren mee met het leger en moesten de binnenlandse onrust onderdrukken. Hun gebied werd de Russische Vendée genoemd, naar de afslachting van de boeren daar tijdens de Franse Revolutie.

De kozakken werden gedeporteerd naar werkkampen, hun elite en iedereen die een functie had of rijk was werd uitgeroeid, hun graan en grond werden in beslag genomen. De executies van mannen en vrouwen gebeurden over dag, naakt, voor de ogen van het hele dorp. Honden kwamen dan de armen en benen van de geëxecuteerden afbijten(201-202). Sverdlov, de grote organisator van deze terreur, stierf al op zijn 34° in 1919. Maar de terreur tegen de kozakken ging ongenadig verder: dorpen werden platgebrand, 10 à 20 % van de mannen vermoord. Russische arbeiders en boeren werden in hun gebied gevestigd. Bij de uitvoerders waren ook kozakse bolsjewieken. Enkel de kozakse socialist Mironov durfde te protesteren tegen de uitroeiing door Trotski / Lev Bronstein (209). Mironov kreeg de doodstraf.

Hfst. 6 heet “De nieuwe stad” en gaat over het millenarisme van de bolsjewistische sekte, waarvan de leider ook staatshoofd was en de kandidaten enkel toegelaten werden als ze zich bekeerden tot het communistische geloof. De provinciale partijsecretaris fungeerde als bisschop van zijn “bisdom”. En de nieuwe religie was veel strenger dan de oude orthodoxe. Wie een paar vergaderingen oversloeg, kon zijn lidkaart inleveren. Een gewone herder, mijnwerker, arbeider kon in principe opklimmen tot partijsecretaris of zelfs tot rector van de Communistische universiteit van Petrograd of tot ambassadeur van de Sovjet-Unie in een buitenland(226).

In het Kremlin, voorbehouden aan de top van de partij en hun gezinnen en in 18 geconfisqueerde Huizen van de Sovjets, werden alle iconen meteen verwijderd en de meeste standbeelden verdwenen uit de stad. De bewoners van die Huizen hadden alle comfort, gratis tickets voor alles, datsja’s en kuuroorden. Schrijvers werden in dienst genomen om van het bolsjewistische evangelie iets moois te maken en de burgeroorlog voor te stellen als een strijd van goed (Rood) tegen kwaad (Wit). Hun bijna Bijbelse verhalen zoals “De ijzeren stroom” van Alexander Serafimovitsj (1927) en “De heldhaftige periode van de Grote Russische Revolutie” van Lev Kritsman (1924) werden verplichte lectuur op de scholen tot … 1990 !
Lenin stierf in januari 1924. Zijn volgelingen huilden mateloos. Meteen begonnen Boecharin en andere partijtoppers hem te vergoddelijken. Zijn hersenen werden eruit gehaald om te zien of hij superbegaafd was. Helaas wogen ze niet meer dan de meeste. Zijn lichaam werd gebalsemd en tentoongesteld in het mausoleum in Moskou, wat nu nog altijd zo is. In 1926 verscheen de eerste hagiografie van Arosev. Majakovski voegde eraan toe: “Lenin leefde, Lenin leeft, Lenin zal leven, Lenin is altijd levend”(265).

Hfst. 7 gaat over “De grote teleurstelling”. De oud-bolsjewieken leden aan allerlei kwalen en hadden nood aan sanatoria, rusthuizen en kuuroorden. Blijkbaar had de partij teveel gehoorzaamheid gevraagd van hun zenuwen en bleef het communistisch paradijs te ver weg. Dat leidde tot grote teleurstellingen en soms zelfmoord, met als pijnlijk afscheidsbriefje: “Ik ben moe en het is allemaal toch vergeefs” (320).
De Sovjet-Unie voerde de vrijheid van echtscheiding in, waar veel gebruik van gemaakt werd, o.a. in de jaren ’40 en ’50 door Svetlana, de dochter van Stalin. Zij schreef: scheiden is makkelijker dan toestemming krijgen om van Moskou naar Leningrad te reizen. Dit hoofdstuk gaat over vele tijdelijke liefdes met vaak heel mooie vrouwen.

De partijlijn vinden we terug in hfst. 8. De Sovjetstaat moest de meerderheid van de bevolking bekeren tot het officiële geloof. Dat gebeurde door overal partijcellen te installeren: in scholen, in de jeugdbeweging, boerendorpen, fabrieken. Iedereen werd verplicht deel te nemen aan collectieve activiteiten, zich zelf discipline bij te brengen, de juiste boeken te lezen. Geregeld werden zuiveringen doorgevoerd onder de partijleden: wie afweek van de lijn, was “bourgeois”. Oppositievoerders, vaak bolsjewisten van het eerste uur, werden op congressen uit de partij gezet en naar Siberië verbannen.

Met hfst. 9, “Het eeuwige Huis”, begint Boek II, genaamd “Thuis” en Deel III, “De Wederkomst”(377).
Het eeuwige Huis was het huis van het Centraal Comité of Het huis van de Regering.
Architect was Boris Iofan, locatie het Moeras, een moeilijke plek. Het Huis zou alle luxe en alle faciliteiten bevatten. Pas in 1933 was alles klaar. Foto’s van matige kwaliteit tonen hoe indrukwekkend het Huis was. Andere bouwwerken van die tijd waren het nieuwe mausoleum van Lenin, in marmer en graniet en het 416 meter hoge Paleis van de Sovjets of parlement, toen het hoogste gebouw ter wereld, met een 100 meter hoog beeld van Lenin, dat 6.000 ton woog. Bij de dwangarbeiders waren ook veel onteigende koelakken en mensen van alle nationaliteiten die de SU bevatte.

Hfst. 10 gaat over de nieuwe bewoners. Vanaf 1931 deden de leden van de nomenclatura hun intrede in het nieuwe Huis. De auteur beschrijft de gelukkigen, voor 35 % Joden en hun ruime appartementen. Op 1 november 1932 telde het Huis 2745 bewoners. Ze werden beschermd door 160 bewakers en evenveel bloedhonden.
De nabije Christus Verlosser kathedraal werd in december 1931 opgeblazen om plaats te maken voor het Paleis van de Sovjets (dat er uiteindelijk nooit kwam).

Hfst. 11 handelt over de economie. De Stalinistische economische revolutie begon met het 1° Vijfjarenplan van 1927/28-1932. Het moest de SU snel industrialiseren, het privébezit verder afschaffen en de klassenvijanden vernietigen. Er kwamen staal-, tractor-,auto- en chemische fabrieken, waterkrachtcentrales, grote bouwprojecten zoals het Huis van de Regering en de indrukwekkende metro. De Oekraïner Chroesjtsjov leidde de bouwactiviteiten in Moskou. Hij woonde in het Huis, met zijn ouders, twee kinderen van zijn eerste vrouw en drie van zijn Nina.
De chemicaliënfabriek werd gebouwd o.l.v. de Oekraïner Michail Granovski, met 200 Amerikaanse, Britse, Zwitserse en Duitse technici, die de machines installeerden en onderhielden. Doordat er een tekort van 3.500 arbeiders was, werden duizenden gevangenen ingezet. Dat was geen probleem: men had rond 1930 al een voorraad van 450.000 gevangenen in de kampen van de Goelag. In 1933 kregen Granovski en Matvej Berman (hoofd van de Goelag) de Leninorde. In 1935 was de fabriek af en woonden er 75.000 arbeiders en hun gezinnen in Berezniki, dat vijf jaar eerder een klein dorpje was.

Hfst. 12 vertelt over de grote collectivisering van de landbouw. Die was “nodig” om voldoende graan te kunnen verkopen aan het buitenland, om daarmee de buitenlandse hulp voor de industrie te betalen. De arme en gemiddelde boeren zouden wel meedoen, van de rijke koelakken “moest voor eens en altijd de rug gebroken worden”(492), aldus het geheim decreet over de liquidatie van de koelakken. Ze moesten worden gevangen genomen, doodgeschoten, gedeporteerd naar concentratiekampen en naar onbewoonde gebieden, voor dwangarbeid. Het ging om miljoenen mensen. Degenen die achterbleven, werden geslagen, beroofd, uitgehongerd, ’s nachts van hun bed gelicht en in slaapkledij de winterkou ingejaagd. Deze gewelddadige collectivisatie en uithongering zorgde voor 4,6 tot 8 miljoen doden (493). Partijsecretaris Terechov meldde aan Stalin dat de boeren in Oekraïne stierven van de honger. Stalin antwoordde dat Terechow dat sprookje zelf verzonnen had en hij werd ontslagen. Oekraïense medestudenten van Stalins vrouw Nadja vertelden hetzelfde: zij verdwenen spoorloos van de hogeschool. Behalve Oekraïne, waren er nog andere gebieden met heel veel hongerdoden: Beneden-Wolga, Kaukasus en Kazachstan. In dit laatste gebied vielen 2,3 miljoen doden of 38 % van de bevolking en vele verhongerde Kazachen vluchtten naar China. De honger trof niet enkel de landbouwgebieden: ook in Moskou leefden skeletten van bedelaars onder bruggen, ze bedelden en pakten boterhammen af van kinderen die naar school gingen.

Hfst. 13 gaat over ideologie, waarover hfst. 8 ook al sprak. Het eerste Vijfjarenplan bestond uit drie componenten: industrialisatie, collectivisatie, culturele revolutie of het bekeren van alle Sovjetburgers tot het marxisme-leninisme.
In het universitair onderwijs werden “onnuttige richtingen” zoals biologie, scheikunde en biochemie geschrapt en vervangen door jagerskunde en viskunde, alsof die nuttiger zijn. In literatuur en toneel kreeg de vereniging voor proletarische schrijvers het monopolie. De Sovjetschrijver werd “ingenieur van zielen”: hij moest de geesten van de mensen omvormen. Het socialistisch-realisme, de enige toegelaten kunstvorm, toonde het geluk van arbeiders en boeren, niet hun hongersnood of dwangarbeid.

Hiermee eindigt boek 1. Dan volgt een lijst van hoofdpersonen, waarin enkele toppers ontbreken: Boecharin, Kamenev, Stalin, Sverdlov, Trotski, maar die staan wel in het register. Er is ook nog een heel lange lijst met noten en een uitgebreid register, waarin ik enkel mis: NKVD, OGPU en Goelag.

 

Het tweede boek is even omvangrijk(636 p.) en bevat de hoofdstukken 14 – 33.
Hfst. 14 heet “Het nieuwe leven”. In 1935 woonden 2655 gelukkigen in het Huis, onder wie 588 kinderen. 60 % waren partijtoppers, 10 % gepensioneerde partijtoppers en de andere 30 % hoorden niet bij de nomenclatura: huispersoneel, administratief personeel, verwanten van de nomenclatura zoals Stalins schoonfamilie Alliloejeva. De meeste nomenclatura-leden werkten en vergaderden heel veel, vaak tot een stuk in de nacht. Stalin en Chroesjtsjov werkten bijna constant. De meeste vrouwen hielden van mooie kledij en kochten die in de harde-valuta-winkels.
Hfst. 15 gaat over de vrije dagen. Zoals de Franse revolutie met zijn tiendaagse week, had ook de Russische revolutie de kalender overhoop gegooid om het kerkelijk leven onmogelijk te maken. De week telde voortaan 5, vanaf 1931 zes dagen. De zesde dag was dus vrij, maar heette niet meer zondag. Dan las men, speelde men met de kinderen, ging men naar theater, museum of Gorkipark. Er werd heel veel gelezen, gestudeerd en gecorrespondeerd, ook wanneer men in ballingschap zat. De populairste feestdagen waren oudejaarsavond, 1 mei en 7 november. Kerstmis en Pasen werden (officieel) niet meer gevierd. Bij feesten werd er veel gegeten, gedronken, gedanst en Oekraïense liedjes gezongen. Alle Joden in het Huis kwamen uit Oekraïne.
Hfst. 16 gaat over “rusthuizen”, een misleidende titel, want niet voor ouderen, maar voor actieve bolsjewisten die een dag kwamen uitrusten. Ze hadden daarvoor een dozijn landgoederen, allemaal afgepakt van de vroegere adel en van kooplieden zoals de familie Morozov. In de zomer trok de elite naar kuuroorden aan de Zwarte Zee, in de herfst naar sanatoria. Bovendien hadden ze permanent landhuizen(datsja’s) westwaarts buiten Moskou, langs de oever van de Moskva, waar sommige vrouwen en de meeste kinderen de hele zomer woonden. Die datsja’s hadden een tennisveld, volleybalveld, biljartkamer etc.
Hfst. 17 gaat over de naaste familie. In de datsja’s hadden de bolsjewieken veel contact met elkaar, in Moskou weinig: daar werkten en sliepen de kameraden. Rond 1934 telde de partij 1 miljoen leden, teveel om allemaal vrienden te zijn. Buiten de families waren er ook heel wat relaties. Oude bolsjewieken van rond de 70 werden soms verliefd op meisjes van 20. Sommigen hadden behalve hun vrouw, ook nog 1,2 of 3 vriendinnen in huis: Lenin had Inessa Amand, Brezjnev had ook een maîtresse in huis.
Hfst. 18 heet “Het centrum van de wereld”. Het heilige centrum was het Kremlin, waar kameraad Stalin dag en nacht werkte en het mausoleum, waar Lenin lag. Het Paleis van de Sovjets, met Lenin er bovenop, diende als axis mundi of as van de wereld en verbond hemel en aarde.
In Moskou vertoefden ook buitenlanders. De grootste groep was in 1936 de Duitsers: 4.600 vluchtelingen, die daar ook een cultureel leven hadden en een Duitse Karl Liebknecht-school. Hij zegt er niet bij wat er met hen gebeurde in juni 1941, als ze toen nog leefden, want in 1937 waren er ook al veel geliquideerd: zie hfst. 25.
Hfst. 19 gaat over de kleinheid van het bestaan. Echte bolsjewieken ergerden zich aan kleinburgerlijke figuren of aan hun vrouwen, die niet geïnteresseerd waren in politiek, maar enkel in hun appartement, tafelkleed, kledij, schoonheidsproducten. Polina, de vrouw van Molotov, was directeur van de parfum- en cosmetica-industrie, niet meteen een revolutionaire bezigheid.
Uit hfst. 20 blijkt dat er ook aan de dood werd gedacht, hoewel de “hogepriesters van de revolutie” verzekerd waren van collectieve onsterfelijkheid. Zodra de oud-bolsjewieken de leeftijd van 50 voorbij waren, moesten ze geregeld naar sanatoria en ziekenhuizen, hoewel de polikliniek van het Huis al 9 artsen had. En vredig sterven zonder verwondingen van de strijd was weinig heldhaftig voor een revolutionair. Revolutionairen zoals Arosev vroegen hun kinderen om hun as bij te zetten in de muur van het Kremlin, zodat iedereen kon zien dat ze hun hele leven gewijd hadden aan het communisme.Ook schrijvers zoals Leonid Leonov hadden aandacht voor sterven en bolsjewistische onsterfelijkheid. Leonov zelf had geluk: op zijn 90° verjaardag in 1989 kreeg hij bezoek van Gorbatsjov.

Hfst. 21 gaat over het omgekeerde: de gelukkige kindertijd. Vele kinderen van het Huis hadden Duitse of Baltische gouvernantes, die hun talen en goede manieren aanleerden. Ook voor pianoles moesten ze zich niet verplaatsen. Ze kregen ook les in schaken, tennis en muziek. Ze zorgden ook voor de banden tussen de verschillende families. Sommige kinderen werden verwend met duur speelgoed en werden in limo’s naar school gebracht. Enkelen , zoals de zonen van Stalin, gedroegen zich slecht. Maar de meeste kinderen van de revolutie waren zeer gelukkig en beleefden een mooie kindertijd. Hun docenten waren professioneel opgeleid en de examens, die in 1917 afgeschaft waren, werden in 1935 heringevoerd. Literatuur speelde een grote rol en men las zowel Russische als Duitse, Franse en Engelse schrijvers.

Hfst. 22 gaat over de nieuwe mens. De jonge communisten moesten opgroeien tot nieuwe mensen en daar hoorden ook onaangename zaken bij zoals gaan werken in het ijskoude Kamtsjatka of zich aansluiten bij het Rode Leger, dat op 17 september 1939 Polen binnenviel. Opmerkelijk is dat de bevolking wijsgemaakt werd dat de Finnen eerst de SU hadden aangevallen voordat de SU het land binnenviel in december 1939(239-240) en dat de Finse arbeiders “de kant van de SU kozen”(239-242).

Hfst. 23 gaat over de moord op Kirov (1dec.1934). Het nieuws zorgde voor veel verdriet in het Huis en ook voor onzekerheid : het toonde aan dat er toch nog vijanden waren die uitgeroeid moesten worden.

Hfst. 24 gaat dan over afgedwongen schuldbekentenissen en executies. De eerste slachtoffers waren Lenins naaste medewerkers Zinovjev en Kamenev, hoewel de moordenaar (Leonid Nikolajev) niets met hen te maken had. In 1935 e.v. werden o.l.v. Jezjov honderdduizenden gearresteerd, o.a. aanhangers van Zinovjev, Kamenev, Trotski, duizenden etnische Duitsers, Polen, Finnen en Balten. Ze werden geëxecuteerd of verbannen. Kinderen kwamen vanaf 12 jaar in aanmerking voor de doodstraf. Er volgden showprocessen tegen o.a. Zinovjev en Kamenev, die onder dwang en zonder hulp van advocaten moesten toegeven dat ze schuldig waren en die op 25 augustus 1936 geëxecuteerd werden. Kort daarna volgden Boecharin, Radek, Rykov, Osinski. Ook zij bekenden hun “zonden tegenover de partij” of “gewerkt te hebben voor buitenlandse geheime diensten”(p. 302 en312). De auteur citeert uitvoerig uit hun “bekentenissen”, die allemaal bewaard zijn.

De titel van hfst. 25 , De Doodsvallei, is duidelijk. Tussen 1936 en 1938 werden 43.768 mensen veroordeeld. De meeste lijsten, die door de NKVD waren opgesteld, werden ondertekend door Molotov en Stalin. In 1937 begonnen de arrestaties van hoge militairen en begon men te werken met quota per regio. Stalins zwager Stanislav Redens fungeerde als uitroeier van de nog levende koelakken. Vele doden vielen ook bij de niet-Russen in de SU: Duitse, Poolse, Baltische, Griekse, Chinese en andere “spionnen”. 139.835 Polen werden gearresteerd, van wie er 111.091 geëxecuteerd werden zonder proces. 170.000 Koreanen werden in oktober 1937 gedeporteerd uit het verre Oosten naar Centraal-Azië. Tussen augustus 1937 en november 1938 werden nog eens 767.397 “koelakken en anti-sovjetelementen” veroordeeld, van wie er 386.798 geëxecuteerd werden. In 1937-1939 werden ook in Mongolië de toppers gezuiverd van “trotskisten en Japanofielen” en grotendeels uitgemoord. Ongeveer 20.000 mensen werden ter dood veroordeeld; de meesten waren lama’s (boeddhistische priesters). De auteur geeft helaas geen totale optelsom van het aantal gearresteerden en geëxecuteerden. Want het gaat over miljoenen, niet over honderdduizenden.

“Een klop op de deur” is de titel van hfst. 26. Ook hier gaat het over arrestaties van partijtoppers en vaak ook hun vrouwen. Arosev en zijn vrouw werden allebei gefusilleerd. Aangrijpende getuigenissen van familieleden of van de slachtoffers zelf staan erbij. De getroffen familieleden moesten het Huis verlaten en sommigen werden gedeporteerd naar Astrachan, o.a. de vrouw van Boecharin en die van Toechatsjevski. Kinderen werden vaak in weeshuizen geplaatst. In november 1938 eindigden de massale zuiveringen en werd Jezjov ontslagen en vervangen door Beria.

Hfst. 27 gaat over de goede mensen: blijkbaar bestonden die ook, maar de auteur noemt er geen met naam. Daarnaast waren er corrupte, die rekeningen vervalsten en vrienden beloonden met dure horloges en auto’s. Het nieuws over de showprocessen en executies kwam op de radio en in de kranten. De foto’s van de meeste gearresteerde partijmensen staan in het boek.

Hfst. 28 heet : “De hoogste straf”. In de cel vroegen gevangenen aan elkaar waarom ze gearresteerd waren. Hun ondervragers gaven het antwoord: ze waren schuldig en moesten dat nu bekennen. Dat gebeurde telkens na martelingen, uit de slaap houden, 24 uur lang ondervragen, in elkaar slaan. Sommigen werden tot 150 keer ondervraagd, hoewel dat fysiek en moreel ondraaglijk was. Ze schreven in brieven aan Stalin dat ze ondraaglijk gefolterd werden en dat ze enkel daarom bekend hadden. Stalin was dus perfect op de hoogte van wat zijn onderdanen mekaar aandeden, maar antwoordde nooit op de vragen om vergiffenis.

Hoewel de auteur in hfst. 26 schrijft dat de massale zuiveringen eindigden in nov. 1938, blijkt hier dat ze in 1939-1941 gewoon verder gingen (en na de oorlog werd er opnieuw massaal gedeporteerd). De massa-executies van 300 tot 500 personen vonden vooral plaats in de bossen buiten Moskou, zoals Boetova en Kommunarka. Een bulldozer groef de kuilen waarin ze gegooid werden. De beulen kregen genoeg wodka om hun taak met plezier uit te voeren. De laatste fase was de liquidatie van de organisatoren : zelfs Stanislav Redens, zwager van Stalin en Jezjov werden gearresteerd en geëxecuteerd.

Hfst. 29 gaat over de kinderen in het Huis, die ook slachtoffer werden van de zuiveringen. Kinderen van beroepsrevolutionairen ondervroegen, mishandelden en veroordeelden elkaar. Andrej Sverdlov, zoon van “de grote” Jakov, werd op zijn 28° ondervrager en folteraar. Zijn vrienden vonden hem een verrader.

Hfst. 30 gaat over het aanhoudende geluk op de Moskouse modelscholen, waar kinderen de veroordeling van hun ouders goedkeurden. De indoctrinatie werkte dus goed.

De kinderen die uit het Huis naar weeshuizen werden gebracht, stelden het daar blijkbaar ook heel goed. Ze lazen ook daar veel, zelfs Voltaire, Heine, Goethe, Aeschylus, Sophocles, Aristophanes, kregen er onderwijs en schreven er brieven naar hun ouders die in kampen zaten. En na het weeshuis mochten de besten, zoals Valja Osinski, naar de universiteit.

De hoofdstukken 31 en 32 gaan over het uitbreken van de 2° W.O. of “De Grote Vaderlandse oorlog”. Het begint met een citaat uit het dagboek van de 18-jarige Ljova Fedotov op 5 juni 1941: “Duitsland is met ons bevriend, maar zal ons snel aanvallen vanuit Bulgarije, Roemenië, Finland en Polen. Ik denk dat de oorlog in de 2° helft van juni of begin juli zal uitbarsten. Want de Duitsers willen hem afronden voor de winter. Wij zullen wat steden moeten opgeven, maar de Duitsers zullen verliezen. Leningrad kunnen ze omsingelen, maar niet innemen”(482-483).
Het is indrukwekkend dat een 18-jarige dit kon aanvoelen. Zijn voorspelling kwam al uit op 22 juni 1941. De oorlog had grote gevolgen voor heel de SU en voor het Huis. Vele jonge Russen en Russinnen namen vrijwillig dienst, o.a. Ljova Fedotov, die helaas sneuvelde op 25 juni 1943. 500 bewoners van het Huis, gemiddeld 1 per appartement, trokken naar de oorlog. 113 of 23 % kwamen niet meer terug.

De anderen werden in de herfst van 1941 geëvacueerd, want op 16 oktober stond het Duitse leger op 100 km van Moskou. In het najaar van 1941 werd 90 % van het glas vernield door Duitse bommen en werkten de verwarming, wc’s en riolen niet meer. In november 1941 roofde een NKVD-eenheid de meest waardevolle zaken uit het Huis. De auteur zegt niet waar die grote buit naartoe ging. In 1942 keerden vele bewoners terug. In 1946 woonden er duizend mensen meer dan voor de oorlog. Stalins dochter Svetlana, die hier voor het eerst genoemd wordt, kreeg er een appartement met vijf slaapkamers. Vele toppers zoals Chroesjtsjov, Molotov, Malenkov, Zjoekov prefereerden het Vijfde Huis van de Sovjets boven het Huis. Nog anderen zoals Breznjev, Soeslov en Andropov woonden in een nieuw gebouw aan de Koetovskilaan.

Na de oorlog mochten veel vrouwen terugkeren uit de kampen na 5 à 7 jaar verbanning. Ze waren afgetakeld en gebroken. Hun kinderen schrokken en konden vaak niet meer opschieten met hun moeders: ze waren vervreemd van elkaar. In 1948-1949, tijdens de anti-Joodse razzia’s, werden die vrouwen en ook familieleden van Stalin opnieuw opgepakt en ook hun onschuldige kinderen van 22-24 jaar kwamen in de Loebjanka terecht en kregen daarna 5 jaar ballingschap in Siberië of Kazachstan.

Op 5 maart 1953 stierf “onze leider en leraar, kameraad Stalin”. Zelfs de ballingen rouwden om hem! Velen waren in shock en vroegen zich af hoe ze nu verder moesten leven. De speech van Chroesjtsjov op 25 februari 1956 was voor velen een nog grotere shock. Tijdens die speech vielen 31 mannen flauw en één van hen, Poolse Stalinist Boleslaw Bierut(1892-1956), kreeg een fatale hartaanval. Anderen wisten beter en schreven in hun dagboek: ”Stalin was een beest, die honderdduizenden levens vernietigde”(506). Vele ballingen mochten terugkeren, maar meestal niet naar het Huis. Hun bezittingen zagen ze niet meer terug. Om een pensioen, medische zorg en een woonst te krijgen, moesten ze eerst gerehabiliteerd worden. Dat kon enkel met referenties van oud-bolsjewieken, maar die waren meestal overleden.

De auteur besluit als volgt: het bolsjewisme begon net zoals het christendom als een mannenbeweging. Anders dan het christendom, was het een fenomeen van één generatie. De beste kinderen uit het Huis sneuvelden in de oorlog en volgden Poesjkin naar de tempel van de eeuwige jeugd. De meeste kinderen van het Huis studeerden aan prestigieuze universiteiten en sloten zich als intelligentsia aan bij de sovjetelite. Ze eerden de herinnering aan hun vaders, maar deelden niet langer hun geloof. De meesten verwelkomden de perestrojka van Gorbatsjov. Toen de SU ineenstortte, leek niemand de originele profetie nog serieus te nemen(514-518).

Het Paleis van de Sovjets werd nooit voltooid. In 1958 e.v. veranderde de bouwput in het grootste verwarmde openluchtzwembad ter wereld, met een wateroppervlak van 13.000 m², maar dat kampte met technische problemen. In 1994 beslisten burgemeester Loezjkov en patriarch Alexius II daar de Christus Verlosserkathedraal te herbouwen. Het plein voor het Huis kreeg weer de naam “Het Moeras”. De Russische Revolutie eindigde waar ze begon: in het moeras aan de vooravond van het einde. Doorheen heel het boek houdt de auteur van Bijbelse beeldspraak. Hij verwijst ook graag naar romans, o.a. “De piramide” van Leonid Leonov, over de bouw van het socialisme. In dat boek was kameraad Stalin de “nieuwe mens”.

Sledkine zoekt ook verklaringen waarom het bolsjewisme al na één generatie stierf. Hij zoekt ze in het bovennatuurlijke van de marxistische visie op de geschiedenis en in het economisch determinisme, dat tot een plat mens- en gezinsbeeld leidde(523-525). Revoluties verslinden hun kinderen niet, maar de kinderen van de revolutionairen verslinden de revolutie. Het bolsjewisme was Ruslands reformatie, een poging om boeren om te vormen tot Sovjetburgers, maar die reformatie was geen volksbeweging: ze veroverde het rijk, maar bekeerde de barbaren niet tot het juiste geloof. En in de top zaten teveel kameraden uit “opstandige grensstreken”: Joden, Letten, Georgiërs en Polen(528-529). Het Sovjettijdperk duurde dus maar één mensenleven en de revolutie eindigde dus thuis, in het Huis van de Regering of in het Huis aan de Kade (543). Het communisme was de eerste godsdienst met meer pratikerenden dan gelovigen, zei men vaak in Moskou in de jaren ’90 en volgende.

Het boek eindigt met een alfabetische lijst van de hoofdpersonen, enkel met hun geboortedatum, helaas zonder de sterftedatum die soms veel meer zegt(555-567). Verder zijn er vele noten (571-618) en een degelijk register dat bijna volledig is. Ik mis enkel begrippen zoals OGPU en NKVD.
Nog enkele details: op p. 40 van deel I staat “dicteerd” met een -d i.p.v. -t; op 306 Oskinski i.p.v. Osinski; op p. 392 staat 30° verjaardag van de revolutie, dat moet 13° zijn. Er staan een massa weinig bekende plaatsnamen in, zoals Berezniki, Astrachan, etc., maar een kaart ontbreekt; de foto’s uit de jaren ’30 komen meestal uit familiearchieven; ze zijn van matige kwaliteit en nooit gedateerd. Vaak staat er dag en maand, maar het jaartal moet je dan zelf zoeken; b.v. Deel I,p. 538 : op 16 november sloten de VSA en de SU diplomatieke betrekkingen. Ik veronderstel dat dit in 1933 was. Bij Lenin zegt hij niets over de eenmalige verkiezingen in november 1917, waarvan hij de uitslag negeerde en ik mis ook het totaal aantal slachtoffers.

Gelukkig is er nog Stéphane Courtois met zijn “Lénine, l’inventeur du totalitarisme”, die het aantal voor Lenin op 9 miljoen schat: 2 miljoen afgeslacht, 2 miljoen door tyfus, 5 miljoen door georganiseerde hongersnood. En Stalin scoort nog veel hoger. Ik mis ook de figuur van Alexandra Kollontai(1872-1952), de belangrijkste vrouw van de revolutie. Zij zorgde voor de gelijkheid van de vrouw, de toegang tot de universiteit, de massale alfabetisering, het recht op abortus en vrije liefde. Zij werd ook de eerste vrouwelijke minister en de eerste vrouwelijke ambassadrice ter wereld. Stalin draaide haar progressieve vernieuwingen terug en plaatste de vrouwen weer in lagere functies, wat zo bleef tot 1991.

Er wordt ook niet gezegd welke invloed de revolutie in West-Europa had op het sneller tot stand komen van sociale wetten. En evenmin dat het communisme in 1967, bij de 50° verjaardag, 1/3° van de wereldbevolking vertegenwoordigde. Daar blijft nu weinig van over.
Yuri Sledkine heeft heel veel bronnen onderzocht, zoals blijkt uit de eindeloze noten. Hij heeft een literaire en historiografische krachttoer verwezenlijkt, het is een goudmijn aan informatie voor gepassioneerde lezers, maar zijn indrukwekkend werk is soms langdradig en had heel wat korter kunnen zijn. En het beoogde paradijs is eerder een vagevuur geworden en voor de slachtoffers een hel.

 

Yuri Sledkine
Het Huis van de Regering.
Een familiesaga uit het Sovjettijdperk.
Vertaling van : The House of Government.
Uitgeverij Spectrum, Houten / Lannoo, Tielt, 2017.
Deel I 639 p., foto’s, stadsplannetjes, personen, noten, register.
ISBN 978 90 0035381 1, € 49,95.
Deel II : 636 p., foto’s, stadsplannetjes, personen, noten, register.
ISBN 978 90 0035382 8; € 49,99.

[widget id=”text-17″]

Continua a leggere

Lascia un commento

Il tuo indirizzo email non sarà pubblicato. I campi obbligatori sono contrassegnati *